Stefan Brijs: De engelenmaker

stefanbrijsdeengelenmaker

Arts Victor Hoppe keert na twintig jaar terug naar zijn geboortedorp Wolfheim in België, vlakbij het drielandenpunt bij Vaals. Maar hij is niet alleen, hij heeft drie baby’s bij zich, een identieke drieling met een hazenlip. De kinderen komen lange tijd nauwelijks buiten en het dorp speculeert er uitgebreid op los wat er met de kinderen aan de hand zou kunnen zijn, waar hun moeder is, en waarom de dokter na al die tijd opeens is teruggekeerd.

Hoppe begint een huisartsenpraktijk in het dorp en neemt Frau Maenhout aan als oppas voor de kinderen. Zij merkt dat Hoppe wel veel met zijn kinderen bezig is, maar emotionele aandacht krijgen ze niet. Ze gaat de kinderen lesgeven en ze blijken erg intelligent. Het gedrag van de dokter wordt ondertussen steeds vreemder en Frau Maenhout ontdekt dat hij allerlei wetenschappelijke onderzoeken deed en verdacht werd van fraude. En met de gezondheid van de kinderen gaat het helemaal niet goed.

In de loop van het boek komen we er achter dat Victor zelf een tamelijk traumatische jeugd gehad heeft: ook hij had een hazenlip en is, voornamelijk daardoor, verstoten door zijn moeder. Hij werd ondergebracht in een gesticht bij een klooster, waar hij debiel verklaard werd omdat hij nooit wat zei. Toen bleek dat hij eigenlijk juist zeer intelligent was, haalde zijn vader hem naar huis, maar nadat zijn moeder overleed werd hij naar kostschool gestuurd. Daar voelde Victor zich overigens veel beter, dankzij de regelmaat en structuur die daar heersten.

Het godsbeeld dat Victor eropna houdt en zijn tweedeling van alles in goed en kwaad zonder enige grijstint worden verklaard door zijn jeugdervaringen en door zijn autisme. Jezus deed goed en God deed kwaad.

“Wilt u hun over Jezus vertellen?”
“Wat zegt u?”
“Over Jezus. Uit het Nieuwe Testament.”
“Over Jezus,” herhaalde ze, de wenkbrauwen fronsend.
“Over Jezus, niet over God,” zei hij met nadruk. “Alleen over Jezus.”

Uiteindelijk komt de waarheid over de afkomst van de drieling en de wetenschappelijke experimenten aan het licht en eindigt het verhaal in een dramatische climax.

Het is een spannend boek dat makkelijk leest. Er komen veel thema’s aan de orde: ethiek in de wetenschap, wegkijken bij bange vermoedens, verantwoordelijkheid nemen, een kleine en gesloten dorpsgemeenschap, de uitwassen in de katholieke kerk in de jaren ’40 en ’50, hoe ervaringen en afwijkingen iemand kunnen vormen. Hoe iemand die autistisch en getraumatiseerd is niet de meest geschikte persoon is om carte blanche te krijgen in zijn onderzoek, hoe intelligent hij ook is. Het is ook een boek met veel lugubere situaties en beschrijvingen.

Hoe Brijs de dorpsgemeenschap en de verhalen die daar leven in beeld brengt en hoe beetje bij beetje verteld wordt wat er in het verleden allemaal gebeurd is vond ik sterk, dat bouwt de spanning goed op. Stilistisch vond ik het boek niet overal even goed. Zo schrijft Brijs bijvoorbeeld: “terwijl de oude man hem indringend opnam met zijn ene ziende oog, waarvan de inktzwarte pupil bijna het hele netvlies vulde.” Huh? Iris zal hij hier wel bedoelen, neem ik maar aan. Ook “schilderde de ramen” is niet zo mooi gekozen en hij gebruikt het woord dilemma voor iets dat geen dilemma is maar gewoon iets waarvan de persoon waar het over gaat niet weet of het waar is of niet.

Het eind vond ik teveel over the top, er zat wat veel herhaling in het verhaal, en waar die drieling vandaan kwam vermoedde ik als lezer al lang voordat dat in het boek duidelijk werd. Maar al met al ben ik wel blij dat ik het heb gelezen, want het is een origineel en spannend verhaal dat me wel gegrepen heeft.

Om een indruk te geven van de fysieke beschrijvingen in het boek een citaat waarin een dorpsjongen beschrijft wat hij gezien heeft toen hij de drieling voor het eerst zag:

“Dat heb ik niet kunnen zien,” zei lange Meekers. “Maar wat ik wel heb gezien…” Hij bukte zich, keek even in de verte, waar Doktor Hoppe en de taxichauffeur op dat ogenblik de twee helften van het toegangshek openden, en wenkte zijn vier makkers dichterbij.
“Hun hoofd…’ zei hij langzaam, ‘hun hoofd is gespleten.” En met zijn gestrekte rechterhand trok hij in een snelle beweging een verticale streep van zijn voorhoofd, recht over zijn neus, tot aan de onderzijde van zijn kin.
“Tsjak!” zei hij daarbij.
Geschrokken deden Gunther en Seppe een pas naar achteren, terwijl Robert en Julius naar het smalle hoofd van lange Meekers bleven kijken, als zou ook dat elk ogenblik in tweeën scheuren.
“Ik zweer het je. Je kon zo tot achter in hun keel kijken. En ook, echt waar, ook kon je hun blote hersenen zien liggen.”
“Hun-wá?” vroeg Gunther.
“Hun-her-se-nen!” herhaalde lange Meekers en hij tikte met zijn wijsvinger op het voorhoofd van de dove jongen.
“Bwèèèk!” riep die uit.
“Hoe zagen ze eruit?” vroeg Robert.
“Als een walnoot. Maar dan veel groter. En slijmeriger.”

Een gedachte over “Stefan Brijs: De engelenmaker”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s